Maximale Arbeidsduur

De normale arbeidsduur

De arbeidsduur mag niet langer zijn dan 8 uur/dag[1]. Deze daglimiet kan in twee bijzondere gevallen worden opgetrokken[2]:

  • 9 uur wanneer de werknemer niet meer moet werken dan vijf en een halve dag per week (mits aanpassing van het arbeidsreglement);
  • 10 uur voor werknemers die wegens de grote afstand naar hun arbeidsplaats, van hun woonplaats afwezig moeten blijven gedurende meer dan 14 uur/dag.

De weeklimiet is 40 uur/week[3], op voorwaarde dat vanaf 1 januari 2003 een weekregeling wordt gepresteerd van gemiddeld 38 uur over een referentieperiode, die kan gaan van een kwartaal tot één jaar[4].


Op verzoek van het paritair (sub)comité, kan een KB een andere wijze van vaststelling van de arbeidstijd bepalen voor de ondernemingen waarvan het vervoer de hoofdactiviteit is (Arbeidswet van 16 maart 1971, art. 19, lid 3, 1°) . Dit is het geval voor het (bijzonder) geregeld vervoer en voor het ongeregeld vervoer.

Wat betekent dit concreet?

Het begrip arbeidsduur werd door de Koning ingeperkt. Het is de tijd dat de werknemer ter beschikking staat van zijn werkgever, maar waarvan de Koning kan bepalen dat die tijd toch niet als arbeidsduur te beschouwen is. Deze tijd moet dan ook niet meegeteld worden om te berekenen of er één of andere maximumgrens overschreden wordt. Welk loon verschuldigd is voor deze prestaties, hangt af van de sectorale of ondernemings- of individuele overeenkomsten die hierover werden afgesloten[5].

Modaliteiten bij de overschrijding van de normale arbeidsduur

In de referteperiode mag niet meer gewerkt worden dan gemiddeld 38 uur/week in een kwartaal of een langere periode (van maximum één jaar)

De referteperiode van een kalenderkwartaal kan worden verlengd tot maximum één jaar[6]. In de sector van het bezoldigd collectief personenvervoer over de weg gelden de volgende afwijkingen:

  • de bedrijven die in opdracht van de VVM werken kunnen via een aanpassing van het arbeidsreglement de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur van 37 uur over een langere periode van maximum één jaar spreiden[7];
  • de bedrijven die in opdracht van de TEC werken kunnen door middel van een CAO afgesloten op ondernemingsvlak de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur van 38 uur over een referteperiode van een semester spreiden[8];
  • voor het bijzonder geregeld vervoer dient een gemiddelde wekelijkse arbeidsduur van 38 uur gerespecteerd te worden over een periode van een semester (van 1 januari tot en met 30 juni en van 1 juli tot en met 31 december), behoudens afwijking op ondernemingsvlak (via een aanpassing van het arbeidsreglement) waardoor dit gemiddelde over een langere periode met een maximum van één jaar kan worden gespreid[9];
  • de grenzen van de arbeidsduur wordt voor het ongeregeld vervoer en/of internationaal geregeld vervoer, vastgesteld door de artikelen 19 en 20 van de arbeidswet van 16 maart 1971 (9 uur/40 uur) of een lagere grens vastgesteld door een collectieve arbeidsovereenkomst, kunnen overschreden worden, op voorwaarde dat de wekelijkse arbeidsduur, berekend over een periode van een semester, gemiddeld de arbeidsduur vastgesteld door de wet niet overschrijdt (38 uren). Met semester wordt bedoeld de periode van 6 maanden gaande van 1 januari tot 30 juni of van 1 juli tot 31 december van elk jaar[10].

Maximumlimieten van de Arbeidsduur voor de Sector van het Bezoldigd Personenvervoer over de Weg

De werknemer dient bij het overschrijden van de interne grens de overuren in te halen vóór het einde van de referentieperiode, behalve bij buitengewone vermeerdering van werk of van een onvoorzienbare noodzakelijkheid. De werknemer kan in dit geval kiezen om ten hoogste 91 overuren/kalenderjaar (65 overuren vóór 1 oktober 2013) niet in te halen. De werkgever dient hem op het einde van de loonperiode deze overuren uit te betalen, bovenop het gewone loon. Ook hier is het mogelijk om het krediet aan niet-recupereerbare overuren te verhogen tot 130 uren en van 130 uren tot 143 uren per kalenderjaar[12]. 

Verbod om binnen een kwartaal of een langere periode (van maximum één jaar) maar dan 78/91 overuren boven het gemiddelde te laten presteren zonder onmiddellijk inhaalrust toe te kennen voor het einde van het kwartaal

Bij overschrijding van de maximumlimieten van de arbeidsduur dienen twee basisregels (voor het (bijzonder) geregeld vervoer) in acht te worden genomen:

  • inhalen in het kwartaal: de wettelijke arbeidsduur of de arbeidsduur die door een CAO op niveau van de sector of op niveau van de onderneming is bepaald, dient gemiddeld gedurende een periode van een kalenderkwartaal te worden gerespecteerd;
  • respecteren van een interne grens[11]: het is verboden om binnen de referteperiode meer dan 78 overuren (65 overuren vóór 1 oktober 2013) te presteren zonder onmiddellijk inhaalrust toe te kennen alvorens in de loop van deze periode nieuwe overuren mogen worden gepresteerd. Indien de referteperiode op één jaar wordt gebracht, is de interne grens 78 uren tijdens de eerste drie maanden van de referteperiode en 91 uren tijdens de volgende maanden van de referentieperiode. De interne grens kan nog verder worden verhoogd tot 130 uren (tot 1 april 2014 door middel van een CAO op niveau van de sector, nadien via een CAO binnen de onderneming) en van 130 uren naar 143 uren (via een sectorale CAO).

De recuperatie van de overuren die o.a. gepresteerd worden in het kader van de arbeid waar de normale grenzen niet toegepast kunnen worden (78/91 overuren) dient plaats te vinden binnen de drie maanden die volgen op het einde van de referteperiode en deze uren inhaalrust zullen in de periode waarin ze worden opgenomen worden verrekend als arbeidstijd om de gemiddelde toegestane wekelijkse arbeid te bepalen. De inhaalrust zal in dit geval per volledige dag moeten worden opgenomen en moet samenvallen met een dag waarop de werknemer normaal zou hebben gewerkt.

De werknemer kan afzien van het inhalen van een bepaald aantal uren van overschrijding

De werknemer dient bij het overschrijden van de interne grens de overuren in te halen vóór het einde van de referentieperiode, behalve bij buitengewone vermeerdering van werk of van een onvoorzienbare noodzakelijkheid. De werknemer kan in dit geval kiezen om ten hoogste 91 overuren/kalenderjaar (65 overuren vóór 1 oktober 2013) niet in te halen. De werkgever dient hem op het einde van de loonperiode deze overuren uit te betalen, bovenop het gewone loon. Ook hier is het mogelijk om het krediet aan niet-recupereerbare overuren te verhogen tot 130 uren en van 130 uren tot 143 uren per kalenderjaar[12]. 


[1] Art. 19, eerste lid Arbeidswet.

[2] Art. 20 Arbeidswet.

[3] Art. 19, eerste lid Arbeidswet.

[4] Art. 2 wet 10 augustus 2001 betreffende de verzoening van de werkgelegenheid en kwaliteit van het leven, BS 15 september 2001.

[5] J. DAEMS en J. VANTHOURNOUT, Arbeidsduur en overloon, Mechelen, Kluwer, 2006,19.

[6] Art. 26bis, derde lid Arbeidswet.

[7] Art. 5 CAO 28 mei 2002 tot wijziging van de collectieve arbeidsovereenkomsten van 30 april 1979 tot vaststelling van de minimumuurlonen en de arbeidsvoorwaarden van het rijdend personeel van de ondernemingen van openbare autobusdiensten.

[8] Art. 2 CAO 26 november 2009 wijziging van de collectieve arbeidsovereenkomst van 30 april 1979 tot vaststelling van de minimumuurlonen en de arbeidsvoorwaarden van het rijdend personeel van de ondernemingen van openbare autobusdiensten, algemeen verbindend verklaard bij KB 30 september 2010, BS 4 november 2010.

[9] Art. 2 CAO 25 juni 2008 betreffende de arbeidsduur in de ondernemingen van bijzonder geregeld vervoer, algemeen verbindend verklaard bij KB op 10 december 2008, BS 11 maart 2009.

[10] Art. 3 KB 10 augustus 2005 betreffende de arbeidsduur van de mobiele werknemers tewerkgesteld in sommige ondernemingen van collectief personenvervoer over de weg die ongeregeld vervoer en/of internationaal geregeld vervoer uitvoeren, BS 5 september 2005.

[11] Art. 26bis, § 1bis Arbeidswet.

[12] Art. 26bis, § 2bis Arbeidswet.